Waarom de energietransitie niet over de energietransitie gaat
De energietransitie kent meer dan één ‘narratief’ om te duiden waar zij over gaat. Toch is het verhaal dat we allemaal het beste kennen, het verhaal dat de energietransitie een technisch-economische ratrace is, waarbij kostenreductie van duurzame energieproductie en opslagmogelijkheden, gecombineerd met brede maatschappelijke adoptie van die technologie, ons gaan ‘redden’.
Een belangrijke drijvende kracht voor dit verhaal is dat duurzame energie kán. Het is er: en ook nog in overvloed (materialen niet meegerekend). Een andere belangrijke drijvende kracht voor dit verhaal is dat de energietransitie móet: want we zagen de neveneffecten van de massale inzet van fossiele energiebronnen pas veel te laat. Maken we niet snel de omslag van vervuilende, fossiele bronnen naar duurzame energiebronnen, dan zal klimaatverandering al het leven op aarde ernstig ontwrichten, inclusief dat van onszelf. Hoop en vrees is dus wat ons drijft.
In ditzelfde verhaal is het goede nieuws gelukkig, dat productiekosten van hernieuwbare energie, inmiddels goedkoper zijn dan de kosten van het boren naar olie- en gas of het oogsten van steen- of bruinkool.
Herkenbaar? Prettig toch, dit verhaal waarin we de ‘bad guy’ vervangen voor de ‘good guy’ en we daarna nog lang en gelukkig leefden.
Mensen die net als ik al wat langer aan de energietransitie werken, zullen bovenstaand ‘lineair’ oorzaak-gevolg verhaal goed kennen en tegelijkertijd zoekende zijn hoe we een genuanceerder verhaal over de bühne krijgen. Een verhaal dat recht doet aan onze onderbuik die voelt dat er al eeuwenlang geen sprake is van een balans in ‘geven en nemen’ als het gaat om de relatie tussen mens en natuur. Of om de relatie tussen mensen onderling (rijkste 1% versus de rest). Of om de relatie tussen ons hoofd en ons hart. Ons hoofd domineert.
Daarmee opent zich een ongemakkelijker verhaal, wat niet pijnlijk hoeft te zijn, maar dat er wel om vraagt dat we de camera ook op onszelf richten. Iets waar ik ook niet altijd zin heb. Want als ik eerlijk ben moet ik bekennen: iets in mij vindt het best prettig om te denken dat ik al heel veel bijdraag aan de energietransitie, door simpelweg een elektrische auto aan te schaffen, een warmtepomp te laten installeren en de was te doen als de zon schijnt.
De systeemdenker in mij weet helaas beter. Net als mijn lijf dat de structurele onbalans in geven en nemen tussen mens en natuur, en mensen onderling, haarfijn kan voelen. En ondertussen ook voelt wat er ‘niet’ gezegd wordt als dit lineaire energietransitie narratief de hoofdtoon voert. Dan heb ik het over het deel van het verhaal en van al dat leven dat niet spreekt. Waar we overmorgen wel over nadenken, maar nu minder relevant maken.
In mijn kast vind ik een doosje, getiteld, denkgewoonten van een systeemdenker. Tijd om deze eens af te stoffen, opdat een meer genuanceerd verhaal kan ontstaan. Een verhaal waardoor ik niet in de loopgraven verdwijn of in de verdediging schiet, maar durf te erkennen waar de energietransitie óók over gaat. Of misschien wel: ten diepste over gaat.
Systeemdenkers:
Denkgewoonte 1: Proberen het grote geheel te begrijpen
Wie net als Nate Hagens (‘the Great Simplification’) kijkt naar de relatie tussen energie, onze economie, samenleving en leefomgeving voelt een ruimer, eerlijker verhaal opkomen over de rol van energie in onze wereld en de uitdaging waar we voor staan, als het gaat om ‘de energietransitie’.
Volgens Hagens kunnen we de mensheid het beste gaan zien als één zichzelf organiserend ‘superorganisme’, dat zich op zo’n manier gedraagt, dat grote schade ontstaat voor al het leven op aarde. Inclusief onszelf.
Een belangrijke basis van het ontstaan van dit menselijk superorganisme was – niet geheel verrassend – een surplus aan fossiele energiebronnen. Door dit surplus aan energie werd technologieontwikkeling mogelijk (en vice versa – technologische ontwikkeling maakte winning van energiebronnen mogelijk). Ons rente-gebaseerde geldsysteem zwengelde deze energie-gedreven technologische ontwikkeling verder aan en versterkte het paradigma van permanente economische groei. Met grote impact op het natuurlijke systeem en op andere soorten.
Sinds ik dit verhaal tot me heb laten doordringen, lukt het me niet meer om erop te vertrouwen dat we onszelf simpelweg de crisis uit consumeren met duurzame energie technologie als groeimarkt. Daarmee wil ik niet zeggen dat duurzame energie geen groeimarkt moet of mag zijn. Maar dit verhaal negeren zou erom vragen dat ik de verdere consequenties van dit op permanente economische groei gefocuste menselijke superorganisme naast me neer leg. Iets dat verrekte lastig is als je het eenmaal doorhebt. Om maar op z’n Cruijffiaans te spreken.
Denkgewoonte 2: Bekijken hoe variabelen in systemen in de loop van de tijd toe en afnemen en daarin patronen ontdekken.
Wie als een systeemdenker kijkt naar enkele sleutelvariabelen ziet hetzelfde. Als het simpele substitutie verhaal – van ‘slecht’ naar ‘goed’ (fossiel naar hernieuwbaar) – genoeg zou zijn om ons uit de gevarenzone te krijgen, dan zouden variabelen die er echt toe doen, zoals de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer en oceanosfeer[1], tekenen vertonen dat deze afnemen. Dat is helaas niet het geval. Ook een variabele zoals fossiele energieproductie[2], zou moeten afnemen nu de duurzame energieproductie zo hard stijgt. En ook dát is niet aan de hand. Ondertussen is CO2 niet de enige variabele waar het niet goed mee gaat. We hebben inmiddels zeven van de negen planetaire grenzen overschreden[3], waardoor we ons als mensheid op zeer glad ijs bevinden.
Wat vertelt mij dat?
Denkgewoonte 3: Veranderen van perspectief om de werkelijkheid beter te begrijpen.
De afgelopen vijftien jaar ontdekte ik een nieuw perspectief, dat mij houvast biedt in het doorgronden van de diepere oorzaken en oplossingen voor de gevaarlijke situatie waar we in zitten. Waar de energietransitie een onderdeel én oorzaak in is.
Kort samengevat gaat de diepere oorsprong van onze huidige veelkoppige problemen, over onze (Westerse) innerlijke houding. Die is te typeren als een houding van verregaande ‘afgescheidenheid’. De westerse mens is zichzelf buiten de natuurlijke orde gaan plaatsen. Wij en de natuur zijn verworden tot twee aparte dingen. En daar heeft de grote hoeveelheid energie die we uit de diepe ondergrond konden onttrekken en waarmee we ‘superpowers’ kregen, zeker aan bijgedragen. Mede gevoed en mogelijk gemaakt door steeds vernuftiger gereedschappen, technieken en capaciteiten om die energie uit de diepe ondergrond te oogsten. Met oogkleppen op voor de gevolgen van de inzet van die technieken.
Gevolgen zoals het verdwijnen van de sponswerking uit het landschap door turfwinning. Waardoor natuurlijke buffers in het landschap verdwenen en waterlopen zoals de Vecht ineens gevaarlijk werden en ingedamd moesten worden (zie ook de film ‘Vechta Stroomt, van Maria Kolossa).
Vanuit dit andere perspectief op de oorsprong van onze huidige problemen en de rol die energie hierin speelde, ontstaat ook een ander beeld van wat ten diepste nodig is, in het werken aan de energietransitie. Otto Scharmer (MIT) noemt dit de beweging van ‘Ego naar Eco’. Joanna Macy (ecoloog en filosoof) noemt dit het belang van ‘het werk dat relaties herstelt’ (‘the Work that Reconnects). Innerlijk werk, met uiterlijk resultaat, waardoor onze grondhouding verandert. Van een houding waarin we ons onafhankelijk wanen en heersen over de natuur, over elkaar en onszelf, naar een houding die uitgaat van ‘wederzijdse afhankelijkheid’. En die deze houding als basis neemt van ons handelen.
Met zo’n houding als uitgangspunt zouden we de energietransitie zo vormgeven dat deze ons aller welzijn verhoogt, bijvoorbeeld doordat deze sociale ongelijkheid verkleint, onze veiligheid vergroot en de natuur versterkt. Een relationeel positieve energietransitie.
Nog één ding over hoe het zo gekomen is dat we onszelf deze relationele manier van kijken opnieuw moeten aanleren. Misschien voor sommigen een zijspoor, maar ik vind het relevant.
In het vuistdikke naslagwerk ‘Er stond een vrouw in de tuin[4]’, dat al lang op mijn nachtkastje ligt en waar ik telkens weer door verrast wordt, wordt in het eerste hoofdstuk de koppeling gelegd met de komst van ‘gereedschappen’ om het land te bewerken en de verschuiving in de ordening tussen mannen en vrouwen. Waar vrouwen (en vrouwelijke godinnen) in pre-Christelijke gemeenschappen geëerd werden voor de belangrijke rol die ze speelden om de relatie met het land (en andere natuurkrachten) te cultiveren, ging de opkomst van gemechaniseerde landbouwpraktijken hand in hand met de opkomst van het Christendom, waarin vrouwen een ondergeschikte positie kregen ten opzichte van mannen. Gelijktijdig met het veranderen van deze rolverhoudingen, werd het cultiveren van een diepe relatie met ‘het land’, ‘waterbronnen’ en met ‘al dat leeft’ steeds minder belangrijk gevonden.
Zie hier de zaadjes voor een samenlevingscultuur waarin afgescheidenheid (een vervorming van wat in gezonde toestand ‘autonomie’ genoemd zou worden) steeds meer een deugd werd, gevoed door nieuwe verhalen en culturele praktijken.
Denkgewoonte 4: Herkent de cyclische aard van complexe oorzaak-gevolg relaties
Zo’n tien jaar geleden ontwierp en begeleidde ik een leiderschapsacademie energietransitie waar strategen vanuit diverse netbeheerders aan mee deden. [Side note: wat was dat leuk en leerzaam!] De ondertitel van deze academie: van systemisch inzicht naar systemische actie. Uit mijn archieven trek ik de volgende doelstelling:
Dit programma helpt leiders in het energiedomein zich ontwikkelen tot ambassadeurs van een systeemperspectief op de energietransitie: van systemisch inzicht naar systemische actie.
Ook vanuit Alliander deden er mensen mee. Maar na twee succesvolle edities besloot ik [samen met Christopher Baan] de stekker eruit te trekken. Niet omdat er niet genoeg mogelijke nieuwe deelnemers waren, maar omdat er binnen moederorganisatie Alliander (en daarmee vermoedelijk bij alle netbeheerders) een nieuwe (of feitelijk ‘oude’) wind ging waaien.
Een wind waardoor afdelingen die de denkgewoonten van de systeemdenker onder de knie probeerden te krijgen, door relaties te bouwen in en met de samenleving, opgedoekt werden. Het moest weer gaan om de kerntaak en alles wat daar dichtbij lag: bouwen, bouwen, bouwen. Met oogkleppen op voor diepere oorzaken en lange termijn consequenties. Niet omdat die diepere oorzaken en lange termijn niet belangrijk waren. Maar nú [lees: toen] even niet.
Recent was ik weer bij Alliander. Ruim tien jaar later, met eenzelfde boodschap, iets anders verpakt. En er leek opnieuw oren naar te zijn. In ieder geval onder oud-trainees, die mij (en Maria Kolossa) vroegen hen inspiratie te brengen.
Denkgewoonte 5: Inzicht in de wijze waarop mentale modellen onze kijk op de realiteit beïnvloeden
Het was een van de eerste dingen die me opviel toen ik de energiewereld in stapte. De grote hoeveelheid rotsvaste overtuigingen, die gesprekken doodsloegen. Ik zag professionals op conferenties elkaar uitleggen hoe het zit en was zelden getuigen van een dieper, luisterend gesprek. Kennelijk, valt in het energiedomein alles te weten, uit te rekenen en te onderbouwen (aldus velen). En zijn er slimme mensen. En domme mensen die het nog niet helemaal hebben begrepen. Zo leerde ik al snel.
Nog steeds wordt de energietransitie door veel betrokkenen [met de beste bedoelingen] gezien als een serie van problemen die we achter elkaar moeten ‘fixen’. Eerst moesten we van de fossiele bronnen af. Daartoe moesten de kosten omlaag van duurzame energieproductie. Nu dat een beetje lukt moet de netcongestie ‘gefixt’. En als dat gelukt is, storten we ons op het volgende probleem. Opslag. Conversie. Ruimtelijke druk. En met een beetje geluk: energierechtvaardigheid en ecologische schade.
Denkgewoonte 6: Beschouwt een situatie volledig en laat zich niet verleiden tot het trekken van snelle conclusies.
Moeten we dan maar af van de ‘fixers’ in de energietransitie? Is dat de oplossing? Als we het primaat van de energietransitie leggen bij andere professionals, professionals die de denkgewoonten van een systeemdenker van nature in zich hebben, gaat het dan goedkomen? De denkmodellen van ‘fixers’ zijn anders dan de denkmodellen van pak ‘m beet, een landschapsarchitect, of een social designer. Zit daar een heilzame weg voorwaarts?
Dat is misschien een wat te snelle conclusie. En bovendien ben ik ook wel van ‘fixers’ gaan houden.
Denkgewoonte 7: Gebruikmaken van het begrijpen van systemen om mogelijke hefboomwerking voor acties te vinden
Wat is er nodig voor energieprofessionals om niet langer alleen maar te ‘downloaden’ wat ze al weten en op basis daarvan recht over te steken naar ‘de oplossing van een probleem’. Wat maakt dat ze durven oefenen met een empathische en misschien zelfs generatieve manier van luisteren? Van het hoofd naar, hoofd én hart én handen? Van het buiten zichzelf plaatsen en abstraheren van problemen, naar het verinnerlijken van problemen en voelen hoe zij zelf deel van probleem én oplossing zijn. En hoezeer mensen en de leefomgeving dat ook zijn. Hoe leren ze voelen wat er verandert als zij zelf een innerlijke shift maken?
De afgelopen tien jaar heb ik hier vanuit mijn programmerende rol voor Topsector Energie de aandacht op gericht en veel in uitgeprobeerd. En om mij heen zag ik het ‘veld’ van energieprofessionals veranderen. Soms meer. Soms minder. Maar ik denk niet dat het nog ‘weg gaat’.
Een belangrijke hulpbron hierbij is de zogenaamde ‘tussenruimte’, door Maarten Hajer ook wel ‘soft space’ genoemd[5], die ook in het energiedomein haar opmars maakte. Of het nu de sessies van het Transform innovatieplatform zijn, bijeenkomsten van het Strategisch Samenwerkingsverband Water en Netbeheerders (SSWN), ‘vrije ruimte’ sessies vanuit het Energie & Ruimte platform of sessies op duurzaamheidscongres Springtij:de mens achter de energieprofessional wordt uitgenodigd zich te laten zien. En de ‘belangen-pet’ blijft bij dit soort sessies aan de kapstok hangen.
In een recente reflectiesessie met het Ministerie van Klimaat & Groene Groei, die verrast waren over de buitengewoon goede respons op de Kamerbrief Decentraal Energiesysteem, viel het kwartje ook.
Dat de Minister zoveel complimenten kreeg over deze brief had niet zoveel te maken met de inhoudelijke genialiteit van die brief, maar met de zorgvuldigheid en menselijkheid van het proces dat was benut om die inhoud boven tafel te krijgen.
Een driedaags proces georganiseerd door het Transform netwerk, waarin gestuurd werd op zelforganisatie. Op het boven tafel krijgen van gemeenschappelijke grond (dat wat iedereen wil) en waarin niet ‘de belangen’ het voor zeggen hadden, maar waarbij via ARE-IN criteria[6] gezocht werd naar een goede weerspiegeling van ‘het hele systeem’.
Een systemisch intelligent proces dus. Waarin gewerkt werd met als uitgangspunt de vraag: wat is hier eigenlijk de bedoeling? In plaats van: hoe realiseren we zo snel mogelijk ons doel van A naar Decentraal.
Denkgewoonte 8: (H)erkennen dat gedrag kan voortkomen uit de structuur van het systeem
Van de oud-trainees van Alliander die ik op een vrijdagmiddag in november tref, zijn er slechts een aantal die hun hand opsteken als ik vraag wie zichzelf net als ik een systeemdenker noemt. En de oud-trainees die de middag organiseerden, bekenden na afloop dat ze in hun traineeship nooit eerder cases verkenden waar ze zelf onderdeel van zijn. “We verkenden weleens abstracte cases in groepjes, maar kwamen dan altijd tot dezelfde – ietwat saaie – conclusies. Wat we vandaag deden was veel interessanter. Uit elk groepje kwamen eigenlijk wel diepe en best pijnlijke inzichten, die ook over onszelf gingen. Over de plek die wij innemen in een proces, in relatie tot collega’s, of klanten”.
Wat ik had gedaan zonder dat deze trainees het door hadden; was tijdelijk een nieuwe structuur neerzetten, met andere spelregels, waardoor ander gedrag mogelijk werd. In dit geval: trainees die ook reflecteren op hun eigen rol, overtuigingen en plek in het geheel.
Denkgewoonte 9: Oog hebben voor de korte als ook de lange termijneffecten van acties
Er vielen zeker wat kwartjes, deze middag in Arnhem. Niet doordat ik voor de groep ging preken dat het anders moet, maar door ter plekke ruimte te scheppen voor een ander gesprek, gebaseerd op een andere ervaring.
Maar of dit beklijft? Ik kon mij voorstellen dat een geschreven tekst, waarin ik het belang van deze andersoortige ervaring en van een relationele kijk op de energietransitie zou duiden, behulpzaam zou zijn. Vandaar dat ik besloot in de pen te klimmen en te reflecteren. Het werd een reflectie op tien jaar bijdragen aan een dieper gesprek over de energietransitie. En vooral ook: aan andersoortige ervaringen, waardoor een relationeel perspectief op de energietransitie kan ontstaan.
Doordat ik al lang doe wat ik doe, vanuit dezelfde plek, heb ik mensen om mij heen zien veranderen door andersoortige, meer belichaamde en relationele innovatiepraktijken. Praktijken die de denkgewoonten van de systeemdenker makkelijker toegankelijk maken.
Dat voedt mijn hoop dat er echt iets aan het schuiven is en dat zelfs de meest geniale ‘fixers’ aan het ontdekken zijn dat zij gelukkiger worden als ze de ‘systeemdenker’ in zichzelf óók ruimte geven. En als ze daar ook hun ‘belichaamde (natuurlijke) intelligentie’ voor in durven zetten.
Onze belichaamde – ook wel ‘systemische intelligentie’ genoemd – stelt ons in staat om aan te voelen of wijzelf, of iets of iemand buitengesloten wordt en of er een balans is in geven in nemen in de uitwisseling met anderen. Deze vorm van intelligentie weet ook zonder woorden wat de bestemming is waar een ‘systeem’ naartoe op weg is, en wat de onderliggende ordeningen zijn in levende systemen (zoals een organisatie of een sector, of de samenleving als geheel). Bijvoorbeeld: wat vinden we het allerbelangrijkste, wat komt daarna en wat daarna.[7]
We hebben beperkt toegang tot deze ‘belichaamde intelligentie’ als ons hoofd regeert. Maar in Arnhem lukte het mij vrij makkelijk om de aanwezigen te stimuleren dat hoofd even voor lief te nemen en af te stemmen op deze ‘aangeboren’, relationele intelligentie.
Hier zaten fixers die het niet gek vonden dat ik de energietransitie frame als relationele meesterproef. [Dankzij de energietransitie kunnen we oefenen met het doorbreken van onze ‘afgescheidenheid’ en met ‘systeemdenken’. Joepie!]
‘Fixers’ ook die zich gewillig lieten aanmoedigen om hun belichaamde intelligentie in te zetten bij relationele uitdagingen en bij het omarmen van de denkgewoonten van een systeemdenker.
Lange termijn bijkomend voordeel, dat deze ‘fixers’ vermoedelijk haarfijn aanvoelden nadat ze ermee oefenden: het inzetten van hun eigen, belichaamde intelligentie vraagt geen grote datacenters in de Wieringermeer en bleek toch per direct helpend 🙂
Ondertussen valt mijn oog in Arnhem op borden die links en rechts in het atrium verspreid staan, met teksten als: “ik ben geen contract, ik ben Tim” en “ik ben geen aansluiting, ik ben Rosalie”. Zouden deze borden over een paar jaar niet meer nodig zijn?
Denkgewoonte 10: Regelmatig evalueren van de resultaten van acties om ze op basis daarvan bij te stellen
Vanuit mijn rol bij Topsector Energie kon ik de afgelopen jaren verschillende tussenruimtes creëren van waaruit reflectie op het eigen handelen mogelijk werd. Die tussenruimtes legden elke keer een andere ‘gemeenschappelijke bedoeling’ in het midden. Afhankelijk van welk urgent, gemeenschappelijk probleem we op dat moment vooral wilden ‘fixen’ en van waaruit ook andere, gerelateerde opgaven in beeld kwamen.
Zo stond ik in 2017 aan de wieg van het North Sea Energy Lab dat de lichten op groen wilde houden voor wind op zee. Wat we niet deden door recht over te steken van probleem naar oplossing, maar door anderhalf jaar lang een U-bocht te nemen via een Social Lab methodiek. Dit lab creëerde de vruchtbare grond van waaruit de noodzakelijke relaties en het gemeenschappelijk begrip kon groeien tussen windparkontwikkelaars, overheden, eigenaren van olie & gasplatformen, de professionele visserij, de sportvisserij, wetenschappers en recreanten. Vanuit die vruchtbare grond kon een jaar later het Noordzee-akkoord gesloten worden, onder begeleiding van Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving (OFL).
Toch lukte het niet om dit lab zelf in de lucht te houden. Uit de vergaderstukken van een conflictueuze vergadering van het Interdepartementaal Overleg Noordzee (IDON) blijkt dat het IDON:
“potentie ziet in de aanpak maar dat er ook zorgen zijn over de aansturing/regie (de overheid moet in controle blijven) en het feit dat wat eruit komt goed zou moeten aansluiten op het proces NZ 2030 dat al loopt: eerst scherp krijgen en bezien of eventueel kan worden aangesloten bij het programmapunt ‘pilots’ (waarbij met elkaar gedacht wordt over concrete oplossingen) en internationaal innovatieperspectief”.
Oftewel: leuk dat er een setting is gecreëerd waar energie (en breder) professionals hebben geleerd niet recht over te steken van probleem naar oplossing – en ondertussen te bouwen aan een relationeel en systeemperspectief op de opgave (waar zij zelf onderdeel van zijn en een ‘innerlijke shift’ in te maken hebben), maar wij vinden toch vooral die oplossingen relevant.
In de community of practice Multi-use Noordzee, een gremium dat als opvolger van het North Sea Energy Lab werd geïnitieerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), kwam de focus helaas ook op oplossingen te liggen en minder op reflectie.
Een ander voorbeeld. In 2018 troffen 70 mensen elkaar drie dagen lang op de Wageningse Berg. Aanleiding was de urgente vraag ‘hoe we een verregaand digitaliserend energiesysteem eerlijk, inclusief en democratisch bestuurbaar kunnen houden’, wetende dat dit in de taximarkt (Uber), huizenmarkt (AirBnB) en het onderwijs (Google) niet gelukt was. Ook dit was een tussenruimte waar energieprofessionals uitgenodigd werden hun hele zijn in te brengen. De onderliggende methodiek (‘een Future Search’) bestaat al dertig jaar en bewijst keer op keer haar kracht.
Betrokkenen bij deze exercitie bleven elkaar vinden en reflecteren op wat er werkelijk nodig is om deze uitdagende maatschappelijke missie te realiseren, vanuit de tussenruimte die ‘Club van Wageningen’ heet. Deze ‘club’ is inmiddels een begrip en timmert nog altijd hard aan de weg. Ook met hele concrete oplossingen. Maar wel op zo’n manier dat er altijd weer reflectie volgt op de consequenties van die oplossingen. En op wat er nog ontbreekt.
Het Nationaal Programma Regionale Energiestrategieën erkent ook het belang van de tussenruimte[8]. Hoogleraar bestuurskunde Geert Teisman zegt hierover: In het Nationaal Programma Regionale Energiestrategie kunnen organisaties elkaar ontmoeten en samenwerken zonder direct vast te lopen door formele structuren. Het gaat uit van de kracht van de verbindingen tussen organisaties en faciliteert een platform waarop deze tot hun recht komen. Zo kunnen partijen ontdekken wat hun vraagstuk is over grenzen van domeinen en schalen heen. Ze worden daarmee gezamenlijk slimmer, en door deze extra kennis neemt de kans op slimme combinaties toe.”
De nieuwste ‘tussenruimtes’ in het energiedomein focussen zich op de ruimtelijke uitdagingen die gepaard gaan met de energietransitie. Denk dan aan het Strategisch Samenwerkingsverband Water- en Netbeheerders. Aan de ‘vrije ruimte’ sessies vanuit Platform Energiesysteem en Ruimte. En de ‘Nieuwe Kompas’ gebiedsinnovatiebeweging die het belang van een gebiedsbenadering van de energietransitie agendeert en in beeld brengt welke sociale, institutionele, economische en technologische innovatie daarvoor nodig is.
Tussenruimtes die langer blijven bestaan, zoals een Club van Wageningen of een Transform netwerk, kunnen makkelijker een vinger aan de pols houden. Zo is het mogelijk om werkelijke resultaten van acties te zien en nieuwe acties ten behoeve van ‘de gemeenschappelijke bedoeling’ te initiëren. Om op een dag te concluderen: dat wat de bedoeling was is gelukt. Nu kunnen we onszelf opheffen en erop vertrouwen dat eenieder vanuit zijn of haar positie, de verantwoordelijkheid neemt voor hoe het verder moet. Net als ‘Kick-out Zwarte Piet’ zichzelf ophief, in de wetenschap dat de samenleving ‘het nieuwe normaal’ zou bewaken en verder brengen.
Denkgewoonte 11: Aan de oppervlakte brengen en testen van onze veronderstellingen
Mijn veronderstelling is dat we de dominante ‘fixers mindset’ in het energiedomein niet zo snel kwijt zullen raken. En ik begin er ook van overtuigd te raken dat dit niet nodig of zelfs gewenst is. Wat wel gewenst is en blijft, is om een bedding te creëren voor ‘fixers’ om regelmatig te reflecteren op het effect van hun acties.
Er moet ongelooflijk veel gebeuren de komende tijd om het energiesysteem zo te verbouwen dat hernieuwbare bronnen optimaal gebruikt gaan worden, en om tegelijkertijd te zorgen dat de vraag naar energie én grondstoffen afneemt en zich aanpast aan het beschikbare aanbod (tijd en plaatsgebonden). En als de grond opengaat voor het energiesysteem van de toekomst, dan is het niet alleen handig, maar vanuit het perspectief van het kwetsbare bodem- en watersysteem en het structureel tekort aan arbeidskrachten, cruciaal, om ook gelijk die kilometers asbest-cement waterleiding te vervangen die Nederland nog rijk is. Om glasvezel aan te leggen, daar waar dit nog niet ligt. En voor waterberging te zorgen.
We hebben fixers nodig. Maar wel fixers zonder oogkleppen. Fixers die hun eigen veronderstellingen onder ogen durven komen. En die – terwijl ze ons energiesysteem verbouwen – goede relaties bouwen.
Op naar reflectieve ingenieurs, installateurs en bouwers, met een steeds grotere zelfkennis. Met het lef om niet alles te weten en de samenwerking aan te gaan met waterbouwers, bewoners of boeren die via ondernemende collectieven samen in actie willen komen. Met hulp van ambtenaren die zich opstellen als ‘wevers’, ‘webbers’, netwerk- of gebiedsregisseurs en die allerlei opgaven aan elkaar knopen.
Denkgewoonte 12: Herkennen van de gevolgen van vertragingen bij het verkennen van oorzaak-gevolg relaties
De netcongestieproblematiek waar de energietransitie op dit moment op vastloopt, waardoor processen vertragen, wachtrijen groter worden en frustraties toenemen, is misschien ook wel een ‘blessing in disguise’. Het dwingt in ieder geval tot reflectie, tot het zoeken van omwegen en tot het stellen van fundamentele vragen.
Steeds meer netbeheerders op strategische posities stellen de ‘bouwen, bouwen, bouwen’ logica ter discussie, omdat ze zien dat elk verzwaard tracé een sturende impact heeft. Daar waar energie wél beschikbaar is, melden bedrijven zich. En dat vraagt om nieuwe wegen, verzwaring van de dijken en nieuwe woningen voor werknemers. Dat is niet op elke plek gewenst, vanuit het oogpunt van het bodem- en watersysteem, dat steeds meer onder druk komt te staan door klimaatverandering.
De groeiende roep om een systeemperspectief op de energietransitie komt uit de praktijk. Maar zullen we als echte ‘systeemdenkers’ met oog voor de impact van de gevolgen van vertragingen, nu vast iets anders ‘fixen’?
Zullen we in de opleidingen waarin we ‘de fixers van morgen’ opleiden, het vak systeemdenken introduceren én aandacht creëren voor het belang van de inzet van onze aangeboren systemische intelligentie?! Dan zal de instroom van nieuw talent voor de energietransitie direct tot ander, systemisch intelligenter resultaat leiden! Bel mij als je hier iets mee wil doen. Ik help graag mee.
Denkgewoonte 13: Kunnen zien en begrijpen van onbedoelde gevolgen van acties
Ik werk nu zo’n tien jaar aan mijn missie om de mens en leefomgeving vroegtijdig in het vizier te brengen van iedereen die werkt aan de energietransitie en aan de daartoe noodzakelijke innovatie. Ik besefte mij al vroeg dat dit gemakkelijk een vrijbrief zou kunnen worden voor anderen om dit juist niet te doen. Want daar ben jij toch van? Daar gaat jullie programma toch over?
Misschien dat ik er daarom zo beducht op was om zoveel mogelijk te werken met nieuwe structuren, ‘met systemisch intelligente tussenruimtes’, om deze relationele uitdaging iets van ons allemaal te maken.
Daardoor vermoed ik dat het niet lang meer duurt voordat we het programma waar ik – inmiddels met een tweetal collega programmamanagers – voor aan de lat sta, kunnen én moeten opheffen. En dat ik en mijn collega’s daarmee simpelweg ‘one of the guys en girls’ worden die werken aan energie-innovatie vanuit de context van Topsector Energie, in samenwerking met heel veel anderen.
Onbedoeld gevolg hiervan? Meer ruimte in mijn week om in mijn eigen gebied – de plek waar ik woon – aan een betekenisvolle tussenruimte te bouwen. Een gebiedscoöperatie’ van waaruit een ongekende samenwerking mogelijk wordt rond al die grote opgaven die de leefomgeving van mij en mijn dierbaren raken.
En ruimte om samen te werken met David van Zelm van Eldik. Een systemisch geschoolde landschapsarchitect die als ingenieur ook niet vies is van snelwegen ontwerpen en masterplannen ‘fixen’. David ervaart net als ik heel veel plezier in het ondersteunen van professionals die werken aan de diverse grote opgaven in de fysieke leefomgeving bij het terugvinden en inzetten van hun ‘systemische intelligentie’. Dat scheelt weer ‘blokkendozen van datacenters’. Of is dat iets te kort door de bocht? 🙂
[1] https://keelingcurve.ucsd.edu/
[2] https://www.energyinst.org/statistical-review/energy-transition-tracker
[4] https://www.bol.com/nl/nl/p/er-stond-een-vrouw-in-de-tuin/9200000054295472/
[6] ARE IN criteria helpen om de juiste mensen in de ruimte te krijgen. Daarin staat A voor ‘autoriteit’, R voor ‘resources’ (partijen met toegang tot geld, tot capaciteit, etc.), E voor ‘expertise’, I voor ‘informatie’ (dat kan ook ervaringskennis zijn) en N voor ‘needs/noden/behoeftes’ (oftewel: zij die het probleem aan den lijve ervaren en ook de consequenties zullen ervaren van gekozen oplossingen).
[7] In een kort systemisch onderzoek in de context van de Club van Wageningen ontdekten we de volgende ordening in leidende principes in het huidige energiesysteem. Als belangrijkste, het leidende principe ‘ontzorgen’, daarna ‘keuzevrijheid’ en als derde, ‘de markt zijn of haar werk laten doen’. In dit onderzoek bleek dat energiegemeenschappen heel andere leidende principes hanteren in het werken aan het energiesysteem van de toekomst.
